Elke stap buiten de deur puzzelt me, het verkeer, de rotzooi, de zwerver midden op het plein van Veraval of het rode water. Hoe kan zoiets blijven bestaan? Ik denk dat alles hier een grote balanceeract is. Alles leeft op een minieme voet van stabiliteit. Het is net als die dikke olifantengod, Ganesh, die in zijn dans van teen tot teen gaat. Ik snap het ook nooit echt, ik bedoel dan, hoe kan deze samenleving blijven bestaan.
We rijden naar de haven om een visser te ontmoeten, de vragen blijven door mijn kop spelen. Overal om mij heen is het goor, vies en vuil. Je zou hier maar smetvrees hebben, dan ben je mooi genaaid… Als we uit de rickshaw stappen sta ik bijna in een dode rat, gadverdamme. Een groepje zwijnen scharrelt wat rond, ongemoeid, want niemand eet ze en ze zijn te goor om iets tegen of mee te doen.
Dan stappen we de haven in, het zand verbergt de enorme hoeveelheid aan rotzooi iets, hoe kun je dit nu omtoveren in een schone haven… Een visser begroet Manish en mij, hij kijkt me trots aan en schud mijn hand stevig. Hij is wel echt erg lang he, zegt hij tegen Manish. Hij vertelt me over zijn boot, en of ik die wil zien. Als we naar zijn boot lopen en ik de camera pak moet hij eerst poseren, hij draait wat kanten op, en lacht teveel. Niet helemaal de foto die ik wil, maar daar ga ik later achteraan. We lopen verder de haven in, langs de nettenboeters en de luierende vissers (het seizoen is bijna afgelopen). Een groepje kinderen speelt met wat boten, en een kalme wind waait door mijn haren. Een groepje mannen wil op de foto, en vraagt me om even langs te komen. Ze poseren allemaal met een brede lach, hoe ik ook gebaar en vraag, het blijft bijzonder grappig.
Terwijl we kletsend teruglopen komen er vijf gewapende politiemannen met stevige pas op mij af. Eerst denk ik dat ze voor iets anders komen, maar de man met de meeste strepen blijft mij aankijken, en roept iets in het Hindi. Daarna vraagt hij mij in het Engels waar mijn permissioncard is.
Shit, krijg je dit gezeik weer, en ik had nog niet eens de foto’s die ik wilde. Hij blijft me pissig aankijken, en ik vraag hem zo beleefd mogelijk wat ik fout heb gedaan. “You can not be here” zegt hij, hmm, dat is nu al te laat, vervolgens gaat hij in op een of andere “Anti Terror Act” vanwege de Mumbai aanslagen. Ik staar naar de watjes in de loop van de agent naast me, best schattig. Ik besluit maar om niet brutaal te doen en gewoon mee te werken. Het zweet biggelt over mijn voorhoofd en ik vraag de politieman of we even kunnen zitten, en dat lijkt hem goed, ook hij heeft het warm. Hij wil dat ik mijn foto’s delete, goed, die undelete ik toch weer. Niets ten nadele van de brave politie agent hoor, maar ik zie niet in wat foto’s van nettenboeters en wat vissers kunnen bijdragen aan de algehele dreiging van terrorisme.
De vijf agenten kijken over mijn schouders mee en roepen ad random “harbour” bij de foto’s. Zodra ik klaar ben vraagt hij me of ik de haven wil verlaten, veiligheid enzo. Nouja, ik schud hem maar de hand, bedank hem voor het fijne gesprek en loop weg. Mooi k*t, ik wilde nog veel meer foto’s maken. Je kan niet alles hebben hé…
Manish neemt mij mee naar zijn huis, een klassiek Kharva huis, gebouwd in de hoogte, kamer op kamer. Daar woont hij met zijn vrouw, moeder en twee kinderen. Kinderen die zich bijzonder gelukkig mogen prijzen, ze zullen beiden goed onderwijs krijgen en waarschijnlijk door kunnen studeren. Een kans die alleen toekomt aan zo’n 5 tot 10 procent van de bevolking hier. Na een gezonde kop thee en een doek om het plisie-zweet van me af te krijgen ga ik weer naar mijn hotel, waar ik even kan slapen, en niet na hoef te denken over de balancerende teen van Ganesh.