Ik slaap tijdelijk in de woonkamer. De kamer waar ik eerst sliep is nu bezet door Tushars ouders. De 2e kamer voor gasten heeft een specifieke functie, de puja room, de gebedsruimte dus. En nu wil het feit dat Tushars ouders enigszins devoot zijn, en om 4 uur ’s ochtends hun gebed beginnen. Dit bidden houden ze vol tot 7 uur ’s ochtends, volledige stilte. Dit dag in, dag uit. Zo nu en dan genieten ze van een van de vele religieuze TV zenders, waar ze uren naar turen. Tijdens het eten sprenkelt meneer Pancholi water rond het bord, en bid even. Het zijn voorbeelden van de talloze Hindoe rituelen die ze uitvoeren. Ik ken weinig mensen die zo devoot zijn.
Om half zeven stappen we in de trouwe Fiat op weg naar Malia, voor een tour naar de zoutvlaktes en de vissers die er leven. We pikken Paresh bij een chaiwalla op, waar we niet zonder thee weg komen. Een man met een volledig verwaaide kop schenkt een scheut thee in een onnoemelijk kopje in en kijkt me wat verward aan. Veel westerlingen komen hier niet, en als ze komen dan komen ze nooit voor thee, en al helemaal niet bij zo’n tent. Maar de thee smaakt goed, we vertrekken weer richting Malia.
De tocht duurt zo’n 3 uur, zo’n 120 km snelweg, “World Class level” vertelt een bord me, waarna een kudde buffels over de 3.5 baans weg heen steekt. Dat overkomt je nu nooit op de A1…
Ergens bij een restaurant (noemen ze hier hotel) wachten Akbar en Ramesh op ons. Akbar is een local uit de Malia omgeving, rond de 35 jaar oud. Hij werkt als liaison tussen de lokale bevolking en Anandi/PVK. Eigenlijk is hij visser, maar nu werkt hij als boer en contactpersoon. Zijn leven stond voor vele jaren in het teken van overleven, elke dag zorgen dat er eten en drinken is. Maar zijn familie bezit nu wat grond en dit geeft hun een vaste bron van inkomsten. Ook hij, zoals velen om Malia, is een Myana. Zoals ik al eerder ergens schreef, deze groep mensen is een mix tussen Moslims en Hindoes. Een groep mensen die eigenlijk altijd de klos zijn. Het zijn geen Dalits, dus genieten ze niet van de speciale dalit programma’s en geen echte Moslims, waardoor de Moslim gemeenschap ze niet echt ziet zitten. Omdat ze niets anders kunnen zijn ze maar gaan vissen. Veel vangen ze niet, en de vissen, krabjes en andere zeegespuis. Ze vissen rond de Golf of Katchh, een waddenachtig gebied waar ze tijdens de moesson wat kunnen vissen. Allemaal extreem marginaal.
Nadat Ramesh en Akbar in de auto gestapt zijn vertrekken we richting de visgronden en de zoutvlaktes. Zodra de weg ophoudt bereik je een grote barre vlakte, met aan de ene kant wat laagstaand water, en aan de andere kant zand dat tot de horizon rijkt. Daar ergens tussenin vind je een soort van sawa’s, omdijkte mini meertjes waarin water ligt te verdampen. In de mini meertjes lopen wat mensen die het zout recht harken zonder laarzen of handschoenen.
Ergens aan ’t einde van de horizon staan wat huizen, Tushar vertelt dat het de huizen van de zoutwerkers zijn, gefinancierd door PVK en Anandi. De huizen zijn het enige wat schaduw biedt op deze grote barre vlakte. Terwijl ik elk halfuur een liter water naar binnen werk heeft ook Tushar het gehad, de hitte wordt ons allemaal wat teveel. Het team van slapjanussen vertrekt dus weer in hun door airco gekoelde auto. Op naar een dorpje op de rand van de woestijn, en niet zo woestijn-woestijn.
Een vrouw begroet ons hartelijk bij het dorp, dit is nu een van die mensen die dus volgens de lokale opinie dom, crimineel en vooral gewelddadig is. Ze serveert thee, en haar kleindochtertje komt naar buiten en showt twee kuikens, allemaal bijzonder vredig. Ze neemt ons mee naar een ander gezin, waar we weer door de vrouw begroet worden. De man is ergens anders, aan ’t werk. De vrouw runt dan eigenlijk ook alles, de man is voornamelijk een stuk gereedschap. Anandi en PVK richten zich dan ook op de vrouwen, iets wat vruchten af lijkt te werpen. Als na een half uur de man ook aan komt strompelen, negeert eigenlijk iedereen hem. Hij mompelt wat bevestigends als de vrouw zegt hoe ’t gaat. Wel goed eigenlijk, vind ze. “We zijn gelukkig, onze kinderen gezond, een huis, we verdienen en eten.” zegt ze met een grote lach. Tushar kijkt met recht wat trots, de watertank, het microkrediet, de steun in de rug. Het lijkt zijn vruchten af te werken. De vrouw neemt ons mee naar de centrale watertank, waar opeens iedereen staat. Allemaal willen ze even poseren, trots en tevreden met de kleine dingen die ze hebben. Maar er moet veel meer gebeuren, het dorpje ligt op de grens tussen de woestijn, en de semi woestijn. Verder levert de visvangst weinig op, neemt de politie en het merendeel van de officials ze niet echt serieus en blijft het leven toch eigenlijk wel hard. Maar in dat alles is wel een tevreden blik te vinden, ergens.
Leave a reply