Na 2 korte tours door het achterland komt een moment van rust. Eigenlijk forceert mijn lichaam me om even te stoppen. Na een dagje Anandi kantoor, fried rice en wat mango beleef ik een weinig plezierige avond. Terwijl het hele Indiase leger mijn maag verkent beginnen mijn darm troepen het te begeven. Na een kort bezoek aan de toilet volgt een 2e langer bezoek. De gehele maaltijd gaat komt in omgekeerde volgorde langs zeilen, eerst de mango, dan de rijst, en dan de dhosa van op ’t kantoor, dit allemaal gemarineerd met een fikse scheut gal en andere maagsappen. Verder lijkt mijn uitscheiding meer op soep dan puree, dus is de reislust even weg. Toch lucht zoiets goed op. De rijst was eigenlijk ook teveel (ook teveel vet, daarover straks meer). De volgende ochtend is het me in ieder geval goed duidelijk, even rust.
’s Ochtends drink een goede kop sterke Darjeeling. Goed spul. Helemaal om je lichaam schoon te maken, geen suiker of melk erbij, veel smaak. Tushar en Sumitra lijken wat bezorgd, maar met een rigide dieet van bananen, cola en wat wit brood om de acute stroom aan loopstront te stoppen moet ik ’t redden. Daarnaast kunnen er toch wat kilo’s af, dus wat minder eten kan geen kwaad. Nu is minder eten hier makkelijker gezegd dan gedaan, terwijl ik over mijn kotsnacht vertel biedt Sumitra me wat chapatti’s aan, ze heeft ook nog wat groenten en rijst, glanzend van ’t vet. Gelukkig staat de Gujarati etiquette weigeren zo ongeveer altijd toe, en beledig je zo niemand.
Terwijl Tushar en ik naar een winkeltje lopen om wat wit brood en bananen te kopen vertelt hij over het rampzalige Indiase dieet, te vet, te zoet, te zout. Kortom, met elke hap ga je gewoon veel sneller dood. We stoppen bij een stalletje met een onbeduidende verkoper, en een grote bak kokende olie. Tushar wil Kakra ofzo, “proeven?” roept ie me toe. Aangezien ik nog maar net bekomen ben van een zoveelste aanval van acute racekakkerij en ik met al die olie toch weinig goeds vermoed weiger ik maar, en zodra Tushar besteld heeft worden mijn vermoedens bevestigd. De man gooit wat deeg in de pan, en schept het er na een tijdje behendig uit, legt het op een stuk krant en weegt het. Op de toonbank liggen nog meer glimmende gerechten. Tushar bestelt er maar wat van, ik grap wat over vet, Tushar lacht mee (doet ie toch altijd). De letters op de krant beginnen te vlekken van de olie. Tushar oreert verder over de vroege dood die veel Indiërs te wachten staat vanwege de gewoonte om bizar ongezond te eten. Ondanks dat ie gelijk heeft heb ik niet echt oren naar zijn verhaal, aangezien mijn racekak zich weer klaar heeft gezet voor de volgende ronde (de poep en pies fase verlaat je nooit).
Als ik thuis terugkom staat de TV op Lokh Shaba (ondertussen wel even de racekak afgehandeld), het TV kanaal over de lopende 2e kamer verkiezingen hier. Er wordt wat heen en weer gewauweld over lokale ontwikkelingen door wat raar ogende politici. Eigenlijk zijn de verkiezingen hier een grote Bollywood show. De TV krijst elke keer weer groots BREAKING NEWS. Vervolgens blijkt er een of andere partij-lul valse papieren in geleverd te hebben, zonder rijbewijs te rijden, iemand teveel geld toegestopt te hebben, ga zo maar door. Ook van de berichten in de kranten wordt je weinig vrolijk, de communisten verkrachten, de dalit-partij-leidster (Mayawatti, BSP, laagste kaste) bouwt grootste parken met standbeelden (van met name zichzelf), de BJP baas Modi wordt hier beschuldigd van betrokkenheid bij rellen (die tot de dood van ongv. 1000 moslims heeft geleid). Maar het blijft India, en het nieuws wordt in Bollywood in elkaar geflanst. Met grote korrels zout kom je tot de conclusie dat er eigenlijk bizar weinig aan de hand is voor zo’n jonge democratie. Om mij heen hoopt en verwacht iedereen een UPA (Congress) zege, eigenlijk met name omdat er geen alternatief is, geen betere.
De volgende dag is de racekak eigenlijk over en neem ik de rickshaw naar ’t kantoor van Anandi om even te internetten en een document voor Sumitra af te maken. De rickshawwhalla probeert me eerst stevig te naaien met 1000 roeppie, ik doe ‘m de groeten en loop verder. Hij start zijn rickshaw en achtervolgt me, 100 roepie ook goed? Nee, 25 en verder niets. Hij zegt 20, deal denk ik. Rare manier van afdingen hier. De whalla houdt verder zijn mond en zet me keurig af, hij komt zijn belofte na en ik krijg een handdruk na. Rare vriendelijkheid.
Na het kantoor neem ik de rickshaw naar Regina, toch maar goed dat ik wat Gujarati ken, want hij rijdt me zo wat naar de andere kant van Rajkot. Vervolgens begint hij in ’t Hindi te zwammen, en vraagt of ik uit UK kom. Engrezi ha, roep ik ‘m toe, moet ik straks weer over die verdoemde koeien en melkrobots beginnen. “Verie naiz kuntrie”. Ik lach en herhaal ’t in keurig Gujarati. Hij kijkt me over zijn schouder aan en zijn brede lach verraadt zijn zowat tandeloze mond. Geld voor een tandeborstel heeft geen zin meer, dus ik hou me aan de afgesproken prijs.

Als ik Regina bereik gaan we even bij vriend klerenmaker langs. Een vriendelijke man die altijd een praatje heeft en elke keer te weinig vraagt. Hij heeft 3 shirts voor me gemaakt en vraagt er 330 roepie voor. Meer weigert hij, iets met beroepseer begrijp ik. Hij vraagt of ik pivo wil, colddrinks in ’t Gujarati (dus geen bier, zoals in veel Oost-Europese talen, de hele staat is hier drooggelegd). Met 42 graden weiger je dat niet snel. Terwijl ik geniet van mijn Thums Up Cola en de klerenmaker trots is dat zijn werk ook aftrek vind bij buitenlanders (hij wil een foto van mij, voor zijn wall of fame) voel ik me toch wat schuldig. Het flesje Thums Up kost toch 15 roepie, dat is al snel de mouw van mijn shirt. Maar zijn eer verbied ‘m om meer te vragen. Ik denk dat je een Indiër moet zijn om dit echt te kunnen begrijpen. Misschien moet je wel een Indiër zijn om het land te begrijpen, elke keer verbaas ik me weer, en toch is dit zeker niet de eerste keer dat ik er ben. Misschien is dat wel de aantrekkingskracht, een soort van oneindig mysterie. De vraag blijft natuurlijk of dit land er ook iets mee opschiet.