’s Ochtends vroeg arriveert mijn chauffeur, Paresh. Mr. Prince stelt hij voor, is simpeler. Mr. Prince stuurt de Anandi-jeep van de Oscar-Towers compound af (hoop werk, zo zonder stuurbekrachtiging met zoÕn auto). Paresh is een jonge man van ergens in de rond de 25 schat ik zo. Achter zijn brede lach gaat een mond met een hoop rotte tanden gepaard. Voordat we naar Malia rijden moeten we nog een senior Anandi medewerker oppikken, Varsa. Anandi is een hulporganisatie die zich richt op het versterken van de positie van met name vrouwen, waar mijn gastvrouw Sumitra een van de vier directors van is.

Ergens bij het Anandi kantoor pikken we Varsa op, en vrouw van ergens rond de 50, bril, ronde glazen, ronde pretoogjes, 3 masters aan de University of Ahmadabad. Ze legt me uit dat we een summer camp bezoeken waar Myiana kinderen les in schrijven en lezen krijgen. De leeftijd varieert van vijf jaar tot elf. De Myiana zijn een verhaal apart in Gujarat. Het is een groep semi-moslims die onder de laagste kasten geschaard worden. Het zijn ook geen echte moslims, ze geloven wel in Allah, maar hebben er (waarschijnlijk uit praktische overwegingen) maar wat Hindoe rituelen en goden aan toegevoed. Gevolg is dat ook de moslims ze niet zien zitten.

Mr. Prince zet ons af bij de school en gaat de kinderen bij hun dorpjes oppikken. We ontmoeten de docenten, vijf jonge enthousiaste Gujarati die via Anandi hun steentje aan gelijkheid willen bijdragen. Slechts twee van hen zijn gekwalificeerd docent, maar dat schijnt niet te baten. Ze willen eerst weten hoe dat Nederland is. Of we er koeien naast ons huis hebben, en hoeveel liter onze doorsnee koe aan melk geeft. Op een of andere manier komen gesprekken over Nederland altijd uit op koeien. Zodra de kinderen terugkomen beginnen de lessen. De kinderen worden verspreid over twee groepen, diegenen die eigenlijk niet kunnen schrijven en lezen, en een groep voor de wat gevorderden. Er blijft een jongen over, Saddam Hoessein (geen grap, zo heette ie echt). Varsa vraagt ‘m of hij ‘t bord kan lezen, nee, Saddam moet naar de beginners groep.

Na wat lessen bekeken en gefotografeerd te hebben haalt Mr. Prince ons op voor het 2e bezoek, een bureau in een onbuidend kantoor waarachter zich een statige vrouw schuilt. Haar naam weet ik niet meer. Ze was een soort van lokale advocate, alleen kon ze niet lezen en schrijven. Meer een manager, vertaalt Varsa voor me. Ze stuurt de twee sociale werkers van Anandi die (gelukkig) wel kunnen lezen en schrijven. Ik vraag haar wat voor zaken ze nu mee te maken heeft, veel formele dingen, aanvragen van mensen voor overheidshulp, hulp bij aangifte van huiselijk geweld en kastendiscriminatie.

We moeten verder, zegt Varsa op een enthousiaste toon. We rijden naar een groep vrouwen die samen een microcrediet en spaargroep hebben. Thee vloeit rijkelijk. Ook deze vrouwen zijn Myiana. Ik vraag waarvoor ze het geld gebruiken. Medische kosten en trouwerijen. De ouders betalen hier namelijk de trouwerij (en regelen vaak ook de match). De vrouwen lachen wat als ze het over de trouwerijen hebben, ze denken dat ik helemaal geen Gujarati versta, en vragen zich of het niet een idee is om mij aan een van hun vrouwen te koppelen. Ik glimlach braaf.

De zon begint te zakken en we moeten terug naar het hotel. Ramesh (social worker voor Anandi) neemt me op zijn motor mee. De jeep is even ergens anders. Ik voel me wat onwennig achterop, helemaal het spookrijden vind ik maar niets. Als ik afstap blijft mijn broek haken (bij mijn kruis ja) achter een schroef op de motor, de naad scheurt open. Fijn, is ‘t ook nog de enige broek die ik nu mee heb (niet voor de hele reis hoor). Ik druip af naar de deur van het hotel en hang mijn cameratas voor mijn kruis. Als Varsa er aan komt doe ik mijn best om uit te leggen dat ik naald en draad nodig heb. Na de vertaling gniffelt Ramesh wat, maar verdwijnt en komt niet veel later terug met wat garen en naalden. Als ik vraag hoeveel ik hem schuldig ben weigert hij geld, we zijn vrienden immers. Als ik naar mijn kamer loop hoor ik wat gegniffel achter me, ach ja, eigenlijk is ‘t ook wel grappig. Nadat ik mijn broek wat provisorisch dichtgenaaid heb lopen we naar het restaurant. Echt zeker voel ik me nog niet, mijn naaikunst is niet echt fenomenaal en straks zit ik weer met dat gapende gat. Bij terugkomst gooi ik er nog maar wat garen tegenaan, de broek is in ieder geval afgeschreven.
De volgende dag zou Tushar komen om mee te reizen, maar na wat telefoontjes blijkt hij te zitten met een “change of plans” situatie. Verslapen dus.
Mr. Prince haalt Ramesh op, die ook zijn zoontje mee neemt. Na een korte rit halen we de andere Ramesh op (docent van summer camp). We rijden door naar de zoutvlaktes van Gujarat. Het gebied rond Malia is een grootleverancier voor zout. Niet het zout wat je eet, daar is het (zoals alles eigenlijk hier) gewoon te goor voor. Het werkt heel simpel, je maakt wat dijkjes, je pompt water op de woestijn tussen de dijkjes en laat de zon het werk doen. Er komt wat harken bij kijken, om het drogen goed te laten verlopen, en wat schepwerk, voor het vervoer. Geen laarzen, geen handschoenen, 42 graden celsius. Je wordt er niet echt oud mee, zullen we maar zeggen. Het zout vreet je voeten en handen weg, de hitte sloopt de rest. Ik schat dat als je hier ergens richting de 50 gaat je aardig op weg bent naar het einde van je leven.
Ergens te midden de woestenij staat een klein gebouwtje, de school. Ramesh roept wat kids bij elkaar voor de foto. De kinderen kijken me allemaal met priemende ogen aan, het kan zo zijn dat ik de eerste blanke ben die ze ooit zien. Ze blijven maar kijken. Ik ontmoet de docent, een man die niet veel meer heeft dan wat bij ons het 2e jaar van het VMBO zou zijn. Meer is er hier niet voor handen. Ramesh roept challo, en we vertrekken weer. De kinderen kijken ons lang na, ik vraag me af hoe hun toekomst er uit zal zien, door verzilting zal er alleen maar zoutwerk bij komen.
We rijden door naar een ander dorp waar ik Djelpa (Anandi staff) ontmoet en we op bezoek gaan bij een andere groep Myiana vrouwen die een microkrediet en zelfhulp groep hebben opgezet. Eigenlijk mogen er alleen vrouwen bij zijn, maar omdat ik bij met Anandi mee reis mag het. Voordat de vergadering begint wordt er van alle kanten naar me gekeken, hier is het heel normaal om iemand recht in de ogen te staren. Het voelt wat onwennig maar het voordeel is dat je terug mag staren. De groep bestaat uit zowel jonge als oude vrouwen. Sommige hebben met het geld van de groep een winkeltje opgezet, voor de meeste is het geld om zich te redden uit benarde situaties. Voor allen brengt het geld een beetje invloed en respect in het gezin. Nadat de vrouwen de maandelijkse rente en een deel van de lening hebben terugbetaald nemen we afscheid. Een bus neemt ons mee voor 15 roepee (1 euro is ongv. 60 roepee) naar Morbi, om voor 25 roepee terug reizen naar Rajkot. De prijzen kloppen wel, de bussen stammen uit de jaren 70, en hebben sindsdien geen onderhoud mee gehad. De deur zit vast met een stuk touw en des te harder de bus rijdt des te harder de lampen er in branden. Garantie voor een prachtige rit.