Terwijl ik een fikse scheut thee over mijn broek mors wordt Tushar uitgekafferd door een stevige vent met bollywood-bad-boy uiterlijk (jep, gouden tanden, stevige snor en fake aviator zonnebril, foto’s beneden). “Niemand doet wat, wij worden hier aan ons lot overgelaten” roept hij. Ik vraag me af hoeveel zijn gouden tanden hebben gekost, en hoe hij met dat geld ‘t lot had kunnen veranderen. We worden naar 2 motors verordeneerd. Tushar kijkt me wat weemoedig aan en zegt dat de relatie nog niet helemaal optimaal is. Twee mede bad-boys nemen ons mee naar de haven. De stank van rottende vis, honden cadavers, schijt en pis en andere rotzooi is moordend. Als we aankomen in de haven worden we afgezet bij een hok waar een schuimend paarsig vocht uitkomt. “Not good huh” roept een van de locals me te toe. Als ik me omdraai en naar de haven zie ik een kind zich wassen in het rode water van de haven. Tushar vertelt dat de industrie een pijpleiding door de haven heeft laten gelegd voor het afval water, en de rode kleur komt door chemicaliĆ«n die uit de pijp lekken.
De gunda’s staan al klaar met hun motor om ons terug naar ‘t patelgebouwtje te vervoeren. Tushar telefoneert ondertussen wat (wanneer niet eigenlijk), en spreekt met een van de industriĆ«len. Terwijl we over een vuilnishoop aandoend weggetje terug rijden vraagt de motorvent me waar ik vandaan kom, Holland, Europe. “London?”. Omdat ik geen zin heb in lange discussies zeg ik ja. Voor veel Indiers bestaat buiten India alleen Pakistan, Amerika en Engeland. Na een korte discussie vertrekken we naar de volgende patel. Elke wijk heeft er zo een, soms heten ze panchayat, soms patel. We worden begroet door een man die ik al eerder ontmoet heb, vorig jaar bij de boating organisation in dit stadje. Of we thee willen, weigeren is geen optie. De man is hartelijk en vraagt hoe alles is, hij herinnert me nog. Tushar vertelt dat de relatie met deze patel veel beter is, meer dialoog, meer proces. De patel stuurt zijn bode met sherifbadge naar een winkeltje om mineraalwater voor deze speciale gast te halen. Na veel thee, wat geklets is ‘t tijd om te gaan. Anil roept “challo” en de delegatie gaat terug naar Tushars auto.
De volgende stop is Chorwar(d?). Een vissersdorp zo’n 30 km van Veraval af. De rit is prachtig, de weg kronkelt bunyantrees, palmbomen, mango en banaan plantages door. Achter een oude poort begint het dorp. Een walm van rottende vis wordt naar binnen gespuwed door de overuren draaiende airco. Als we uitstappen voel ik me wat draaierig door de penetrante stank die rond de hoofdstraat. Gelukkig waait er een frisse zeewind en komen we al snel bij het strand aan.
De strook langs het water is een prachtige idyllische wereld temidden van pure Indiase goorheid. Tushars lokale werknemer, Manesh begeleidt ons naar een vissershutje, waar een zachte wind heerlijk verkoeling brengt. Om ons heen lopen wat koeien doelloos heen en weer. Het doet totaal onindiaas aan, het prachtige strand, de bootjes, de schone lucht.
En zoals het altijd in India is, zit er nog een ander verhaal achter. De vissers hier zijn een kleine gemeenschap vissers die in zwaar weer verkeren. Hun inkomsten dalen door de sterk verslechterde visstand en de overmacht van de vissers met trawlers uit het grotere Veraval. Veel mensen hier kunnen niet lezen of schrijven en hebben geen idee wat hun rechten zijn. De prachtige zee is eigenlijk een woestijn, de mangrove die normaal verder op liggen en geboortegronden voor de vis vormen zijn verdwenen. Door vervuiling is een grootgedeelte van de flora en fauna op de bodem vernietigd.
De vissers snappen weinig wat er in hun wateren gebeurt, ze merken het alleen aan het formaat vis en de hoeveelheid. De overheid steunt ze niet echt, op een 1 semi-overheids organisatie na (MPEDA/NETFISH). Maar de door Netfish georganiseerde lessen (maar 2) zijn te weinig om deze mensen te helpen.
Toch blijft iedereen hier optimistisch. Als eindelijk de vissers komen (na een lang gesprek over 9 verdronken toeristen) worden we hartelijk ontvangen. Terwijl Manesh een presentatie over duurzaamheid geeft praat Tushar uitgebreid met de voorman over de stand van zaken. De zon zakt langzamerhand onder de zee, de avond valt. Terwijl we terugrijden naar ons hotel in Veraval is er rust in de auto. Geen bellende Anil, Tushar of Manesh. Een zachte Bollywood tune rijdt ons door de prachtige bossen, terug naar het andere helse oord, Veraval.
Jara
May 11th, 2009 at 11:03 am
Hey Siempie!
Heerlijk om je Blogs te lezen. Ik kan het me allemaal zo goed voorstellen als ik het lees zie ik de beelden voor me! En je schrijft ook nog eens verdomde goed:D.
Hier is alleen totale jaloezie! Al zou ik niet het geduld hebben dat jij hebt en eindeloos op de bazaar willen shoppen in plaats van eindeloos thee drinken. Daarnaast zou ik van de hitte bezwijken en constant ziek zijn:P. Maar toch voor India zou ik dat over hebben en dus blijf ik onwijs jaloers!
Je wordt hier al flink gemist! Naast dat ik mijn babbelmaatje mis, mis ik ook je expertiese over dingen als internet enzo;).
Blijf bloggen! Mooie foto’s! En drink veel chai
je zussie! uit het koude NL